Visualisatie-oefening

Ik heb inmiddels een groot aantal copingsstrategieën. Sommigen gezond, sommigen buitengewoon ongezond. Één van de gezonde strategieën heet ‘visualiseren’. Maar het is nog knap lastig om zo grip te krijgen op de uit ongezonde coping ontstane gedachten.

Het is alleen maar slechte coping. Het bed is warm. Ik huil. Ik zie mezelf de dekens terug slaan. Uit bed stappen. De hal door lopen. De keuken door lopen. Ik zie het gasstel. De afwas die ik nog moet doen. De afwas die ik heb gedaan. Ik doe de deur open. Blote voeten op de koude, natte tegels. Stukken nog niet gesnoeide heg zwaaien tegen mijn armen. De dunne stof van mijn pyjama laten de druppels eenvoudig door. De wind ik herfstig koud. Ik loop naar mijn keukentrap die onder mijn nog te snoeien perenboom staat.

Het is alleen maar slechte coping. Het bed is nog warm. Ik ben er nog niet uit gestapt. Ik huil om de gedachten die op de loop gaan. Gedachten die me opdragen om een keukentrapje buiten te pakken, een stuk stevig touw te pakken en onder mijn dievenbalkje te gaan staan. Het is gewoon slechte coping. Mijn gedachten laten zich niet sturen. Ze zwermen in cirkels en komen steeds op dezelfde plek uit. ‘Slechte coping’, fluister ik ze toe. Het is warm in bed. Mijn gedachten bevelen anders. Ik huil. ‘Slechte coping’, schreeuw ik ze toe. ‘Jullie zijn alleen slechte coping. Jullie zijn alleen gedachten. Jullie voelen als wensen. Jullie voelen als mijn wil. Maar jullie zijn alleen maar slechte coping. Jullie zijn enkel en alleen gevormd door de stress waar ik niet mee om kan gaan. Niet meer en niet minder.’ Slechte coping.

Goede coping. Ik probeer de mooiste plek die ik ken te visualiseren. Ik zie mezelf mijn sjaal losmaken. Er zijn daar bomen met stevige takken. Er zijn daar weinig mensen. Het zou… ‘Nee,’ spreek ik mezelf streng toe. ‘terug naar de goede coping.’ Het water is stil, zwart en koud. Ik zie mezelf met mijn blote voeten erin stappen. De modder grijpt mijn voeten. Steeds verder en verder zak ik weg. ‘Nee,’ spreek ik mezelf toe. ‘Goede coping.’ Ik zie mezelf door het bos lopen. Het pad is bezaaid met versgevallen gele bladeren. Ze zijn een zacht herfsttapijt onder mijn blote voeten. De modder eronder is niet zichtbaar, maar wel verraderlijk glad. Mijn hiel vindt geen grip. Ik ga onderuit en stoot mijn hoofd tegen een scherpe, onzichtbare steen. ‘Nee,’ zeg ik streng.

Ik doe mijn ogen open. Het is warm in mijn bed. Door mijn slaapkamerdeur, de hal, de keukendeur zie ik mijn tuin. Een schouwspel van donkere schimmen. Van natte bladeren en een nat, vies, koud keukentrapje. Aan mijn kapstok hangt een riem. ‘Nee,’ zeg ik streng tegen mijn wens. ‘Jij bent alleen maar een gedachte. Alleen maar een slechte manier om om te gaan met dingen waarmee ik niet kan omgaan.’ Ik draai me om in mijn warme bed, sluit mijn ogen en probeer de mooiste plek die ik ken te visualiseren. De grote bomen met stevige takken zijn begroeid met klimop. Ik kijk naar het stille, zwarte water waarin ze worden weerspiegeld. Dikke druppels regen zorgen voor grote kringen. Mijn pyjama raakt doorweekt. Zou onderkoeld raken een prettige dood zijn?

Kijk de zon schijnt’, fluister ik. Tussen de nog niet gevallen, gele bladeren zie ik een donkergrijs wolkendek. ‘Kijk de zon schijnt,’ fluister ik nogmaals. Dit is mijn visualisatie. Als ik zeg dat de zon schijnt, dan schijnt de zon. Als ik zeg dat het zomer is, dan is het zomer. Ik ga op een bankje zitten dat in het echt niet bestaat. Ik zie bij het verlaten nest van de meerkoeten kuikentjes. Het bladerdek is groen. De hemel is blauw. Het schelpenpad is droog. Aan de andere kant van het eiland is een bruidje haar foto’s aan het laten maken in een late zomerzon.

Mijn bed is warm. Ik val in slaap.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.