Comfortzone’s

Vanuit de studeerkamer klonk vaak zijn stem: ‘Sneller Lonneke. Zet anders even de metronoom aan.’ Als ik opnieuw begon klonk het ‘Die was mis.’ Ik begon dus nog maar een keer vanaf het begin en hoorde op de achtergrond ‘Auw, dat is vals’ als ik per ongeluk het akkoord verkeerd aansla. ‘Nee Lonneke, het is één twee drie, víér vijf zes.’

Of in het theater het gegrinnik, ‘Je klapt uit de maat’ terwijl ik vrolijk met de muziek mee klap. Of als ik zing ‘Dat is vals, je moet nèt iets hoger zitten. Nee, dat is te hoog.’ Alle inspanningen ten spijt, ik ben niet muzikaal. Tijdens mijn jeugd heb ik het vaak gehoord en bevestigd gekregen.

Ik hou ontzettend van muziek maken, van dansen en zingen, maar ik heb er het tegenovergestelde van talent voor. En hoewel mijn pianoleraar mij van het tegendeel probeert te overtuigen (je speelt echt prima, en zingen doe je voor je plezier. Zing! Ongeacht wel of geen publiek: heb plezier!) lukt dat nog niet echt.

Iedere keer dat ik voor publiek zing of speel, hoor ik mijn vaders stem in mijn hoofd. Altijd mistte er een stukje richting het perfecte. Altijd miste ik wel een noot, of vertelde ik me als ik op emotie ging spelen. Als iemand voor publiek moest spelen of zingen, werd ik niet gekozen.

Buitenkomst is een bijzondere en rare omgeving. Ik heb gekozen voor Drenthe, voor de keuzeweken. Dat betekent dat ik iedere dag uit andere workshops en disciplines kan kiezen uit vijf catagoriën.

Vorig jaar ben ik compleet uit mijn comfortzone gestapt door mijn schilderkunsten niet meer te meten aan mijn zussen en met veel moeite op een doek van A1 grootte te schilderen.

Dit jaar ìs schilderen mijn comfortzone. Op de dagen dat mijn leven geen zin heeft, kies ik voor opdrachten die ik verschrikkelijk moeilijk vind en geniet zonder geen enkel oordeel. Het kunstwerk verschijnt de volgende dag vanzelf in de papierbak. Het gaat om het proces.

Dan duik in mijn stresszone van muziek. Voordat ik dat doe, wil ik eerst de bladmuziek zien. Ik word wat bleekjes. Na een maand stug iedere dag repeteren en aanwijzingen van mijn pianoleraar volgen, zou ik het stuk echt wel aardig kunnen spelen. En dan zeg ik -met mijn stomme hoofd- ‘ja’.

Ik sterf een duizend doden tijdens de performance. Maar ik heb het geflikt. Ik heb het gedaan. Ik ben gewoon een koor gaan begeleiden. Ik heb en vue een stuk gespeeld wat ik niet en vue kàn spelen. En ik heb het gewoon gedaan.

Ik zweef tussen grote trots omdat ik het geflikt heb en veel plezier heb gehad en diepe teleurstelling omdat het niet foutloos was. Morgen ga ik weer musiceren, maar dan improviseren. Comfortzone’s zijn er om uit te breken. En als dat op Buitenkunst kan, dan kan het misschien ook in de rest van de wereld (specifiek: thuis).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.